Fragment
In de nabijgelegen diepe baai is een klein stenen-strandje waar je de zee in kunt komen als je wilt zwemmen. Voor de rest is de kust bezaaid met grote rotspartijen. Het ziet eruit of er allemaal reusachtige dieren in het water ronddobberen, zo groot zijn die rotsblokken.
Het lijkt wel alsof daar allerlei nijlpaarden en
olifanten verkoeling zoeken in het water.
Twee herdersjongens, broertjes, hebben overdag de geiten
gehoed en bij zonsondergang klauteren zij altijd de berg af naar beneden om het stof van die dag af te spoelen in zee.
Bij het kleine strandje gaan zij te water en splashen elkaar
nat, joelend en schreeuwend. Als spelletje wijzen zij elkaar altijd naar een van de rotsen. 'Kijk, een nijlpaard!' of: 'een olifant!'
Ineens wijst de kleinste jongen naar een groot rotsblok, vlakbij.
'Een zeekoe!' roept hij.
Zijn oudere broertje kijkt hoofdschuddend in de aangewezen richting en geeft een harde schreeuw.
'Dat is een koe, een echte koe, man!'
En ja hoor, de koe, die helemaal richting de baai is afgedreven,
ligt op zijn zij op een paar meter van de jongens vandaan flink te
bonken tegen de rotsformaties. Af en toe draait hij om zijn as,
zijn kop hangt slap, en zijn ogen kijken omhoog. Zijn poten gaan
alle kanten op, alnaargelang de golfslag. Ook zijn kop dobbert af en toe flink heen en weer. Daardoor lijkt het al met al net alsof hij nog leeft.
'Hij leeft nog!' roept de kleinste.
'Hartstikke dood. Van het hoge rif naar beneden gelazerd!'
constateert echter het oudste broertje, terwijl hij naar de hoogvlakte op de kop van
de baai wijst.
'Kom mee uit het water, dode dieren zijn gevaarlijk, zeker met
die hitte.'
Hij neemt zijn jongere broertje bij de arm en trekt hem snel uit het water. Dode dieren kunnen soms ziektes veroorzaken,
daar had hij gelijk in.
Even later rennen zij over de rotsen springend naar het dorp op de kop van de baai. Roepend en schreeuwend. Als zij bij de witte huisjes aankomen, hangen de netten te drogen.
Hun vader is visser. Aan de netten te zien is hij dus al thuis.
Met horten en stoten vertellen zij het verhaal van de dode koe
aan hun vader en een paar andere dorpelingen, die aan zijn komen lopen.
Vader luistert rustig naar zijn zoons en knikt alleen maar.
'Kom maar mee.'
Ze lopen opgewonden naar het haventje waar de vissersboot aan een kleine pier afgemeerd ligt. De vader gooit wat spullen aan boord, die hij te leen krijgt van een van de andere
vissers en die hij straks denkt nodig te hebben, zoals een lang dik touw en een zware pikhaak, en even later steekt de boot van wal.
×